zondag 10 mei 2020

Bonange

We trekken door het voorgebergte van een land dat Frankrijk zou kunnen zijn. De sfeer in de groep is grimmig; al dagen worden er geen liederen meer gezongen tijdens het marcheren. Het is overigens meer strompelen nu, de zon brandt onbarmhartig op onze hoofden en de dagmarsen zijn lang, zo vreselijk lang, zeker net zo lang als eerder in het vlakke land.

Gisteren zijn we een witkolkende rivier over gestoken, later moesten we weer terug door het koude water, omdat het pad dat de verkenners ons hadden gewezen toch doodliep in een ravijn. Eén van de mannen stapte in een kuil en werd meegesleurd door het water. We hebben hem niet meer teruggezien. Even dreigde er rebellie, maar na wat gemopper en gescheld, vooral op onze bebaarde hoofdman en de verkenners, kwam bij de meesten het gezonde verstand weer boven; we moeten verder en snel ook.

Ik schrijf dit in een, verder leeg, notitieboek, dat ik in mijn ransel heb gevonden. Behalve dit boek bevat mijn reistas alleen wat kleren, een scheerdoos, een portefeuille met een schrijfstel en een potje inkt, een paar metalen pennen, een lakstempel met een wapen en zegellak en een boekje in een vreemde taal met het woord ‘breviarium’ op het lederen omslag. Wat is een breviarium en wat moet het in mijn ransel? In het wapen van het lakstempel staan twee harpen en onderin, onder een keper, een bloem of iets dergelijks. Links en rechts van het wapen staan de letters R en V. Van wie is dat wapen en van wie zijn die initialen? 

(Even geen inspiratie, daarom de eerste alinea’s van het boek Bonange, gebaseerd op een droom en al vier jaar ‘onder constructie’.) 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten