Ik ben nooit een ster in voetballen geweest. Op een of andere manier miste ik de skills. Vroeger speelden we op het veldje voor de katholieke kerk. Ik werd meestal op doel gezet. Daar kon ik nog het minste kwaad waarschijnlijk. Uitlopen mocht wel en achterin een beetje mee voetballen. 'Vliegende keep', heette dat ironisch.
Die avond in Denemarken liep het anders. Ik was er met medestudenten op excursie en we sliepen in een jeugdherberg. Het was een warme en inspannende dag geweest, we waren allemaal moe. Maar 's avonds koelde het lekker af en op het terrein van de jeugdherberg was een klein voetbalveldje. Ik deed mee, meer voor de vorm dan dat ik werkelijk wat zou bijdragen. Maar op een of andere manier kreeg ik het na een uurtje te pakken. Ik voelde me geweldig. Mijn benen gingen vanzelf. Ik passeerde iedereen met de mooiste schijnbewegingen, schoot feilloos op het doel, rende als een gek... Er was iets in me gevaren. Ik was Cruijff, Keizer en Laseroms tegelijk. En toen de zon al onder was en iedereen wilde kappen, ging ik in m'n eentje door. Ik kon niet meer stoppen met draven en schieten. Raar was dat.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten