dinsdag 7 april 2020

De poort (1)

Achter het huis uit mijn jeugd was een lange poort. Wij woonden helemaal aan het einde links. Voor mijn gevoel speelden we altijd in die poort. Ik kan nu nog moeiteloos bedenken wie waar woonde. Er waren buren die je nooit zag met een hoge schutting en een poortdeur die altijd op slot was. Die mensen waren oud, boos, hadden blaffende honden en kende je alleen van verhalen. Halverwege had je meneer en mevrouw De Rooy. Die waren het meest gevaarlijk. Niemand wist meer waarom. En er waren buren waar je gewoon de tuin in kon lopen. Daar woonden je vriendjes. Je moest altijd uitkijken als je de tuin weer uitrende want er kon zomaar een fiets door de poort sjezen. Helemaal aan het begin rechts kwam later een meisje wonen die op die manier een voortand kwijtraakte. Ze was vrij opgevoed, mocht tot 11 uur opblijven en was mooi. Nou ja, toen haar gebit weer hersteld was dan…

2 opmerkingen:

  1. Mooi verhaal!
    Waarom noemen wij een poort eigenlijk een poort. Volgens mij noemt de rest van Nederland het een gangetje. Het was ook maar een 'poortje': drie stoeptegels breed.
    Dat meisje, met die tand, (naast Spinhoven?) zegt me niets. Ze zal wel van jouw leeftijd zijn geweest.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik woon nu ook in een poort dus het zal toch wel gangbaar zijn. Dat meisje kwam er wonen toen jij al op de middelbare school zat. Ze heette Vera, geloof ik. Vera mocht alles wat wij niet eens in ons hoofd durfden te halen!

    BeantwoordenVerwijderen